OP ZEKERE dag zat Remco Campert in de zoele middagwind op een bankje op de Boulevard du Général Leclerc. Niets om over naar huis te schrijven. Naast hem zat een oude heer die Indochina nog had meegemaakt, rozet in zijn knoopsgat, witte sjaal om zijn uitgedroogde hals, en een mormel van een hondje aandachtig aan zijn voet.
Dat klinkt al beter. Toen stopte er een limousine, waaruit de actrice Sophie Marceau stapte, vergezeld van haar fotograaf. Ze moest haar zonnehoed vasthouden, en toonde daarbij haar roomblanke oksel.
Nu wordt het interessant. Het hondje kefte, en de oude heer en Remco stonden als één man op, zongen een liedje, maakten kleine pasjes, draaiden met hun kont.
'Maar zij zag ons niet'. Einde gedicht. 'Straattheater' heet het, en Remco Campert leest het voor op de cd Zilver praten, die onlangs werd opgenomen in de studio van producent Henny Vrienten. Zij zag ons niet - maar het is wel gebeurd, en juist die anticlimax behoedt de gebeurtenis voor degradatie tot een afgeronde anekdote, goed voor hum en glimlach aan de stamtafel. Mits beheerst genoteerd, is de Parijse petite histoire gouden materiaal voor een gedicht. En mits voorgelezen door de maker, begrijpen we dat het alledaagse verguld kan worden, en de dichtregels op straat liggen. Zwijgen is goud, wil het gezegde, maar zonder zilver praten kan ook dát niet worden overgebracht.
Campert is inderdaad een dichter die praat. Frits Bolkestein zou de cd eens moeten beluisteren, wil hij ooit nog natuurlijk leren articuleren. Binne, leest Campert, en snachs, en sterre, en rege, en Voltaire had pokke. Ook hij heeft zijn eigenaardigheden: ootmobielen, sjaloezie, kaptein, en onvervalst Amsterdams in 'Wie kan het sijn?' als hij wordt opgebeld, iemand hoort snikken en vervolgens ophangen. Maar over het algemeen versmelten geluid en gedicht harmonieus. Hier klinkt iemand die zijn verlegenheid heeft overwonnen, en een overzicht levert van bijna zeventig jaar leven en ruim vijfenveertig jaar poëzie. Licht-melancholisch en van ongewone gewoonheid, als een waterige zon boven een grijze dag.
Het tekstboekje bevat zetfouten, en zelfs is het aangrijpende 'Januari 1943', over de dood van vader Jan Campert, ontoelaatbaar gekortwiekt. Zo men wil, hantere men de verzamelband Dichter en de daarna verschenen bundel Ode aan mijn jas. Maar het is ook aan te bevelen de ogen te sluiten, en slechts te luisteren naar 'Hoera, hoera', 'Credo', 'Chet Baker' die voor in zijn mond aarzelend de liefde zingt, 'Dit gebeurde overal', 'Poëzie is een daad. . .' en 'Lamento'. Mijn jeugd is altijd bij me, zegt de dichter wiens woorden een aanslag op de ouderdom inhouden.
Het vers 'In het stoffige groen' eindigt met: 'Alle vogels vlogen af en aan/ behalve ik en jij', een toespeling op het oudst bekende Nederlandse vers 'Hebbanolla vogala'. De monnik die dat schreef, ging terloops te werk. Campert heeft dat herkend. Met recht lijft hij zich in bij de dichters die zullen blijven. 'Even pauze', zegt hij zachtjes na gedicht nummer 14. Vanzelfsprekend, zo'n man moet op gezette tijden de keel smeren. Haast was je opgesprongen om hem een glas te offreren.
Dat is het aardige: zet deze cd op wanneer je er de rust voor hebt, en je huisgenoten gaan denken dat je